David Vergauwen

 Modernisme tussen twee wereldoorlogen – Le retour à l’ordre (1920-1940)

Moholy Nagy

Na het cataclysme van de Eerste Wereldoorlog ruimen de kunstenaars het puin. Hun wereld ligt aan scherven, aan hen om de nieuwe maatschappij een hart onder de riem te steken. Kunst wordt sociaal, idealistisch, soms utopisch, maar altijd maatschappijbevestigend.

De constructivisten affirmeren zich heel duidelijk met de nieuwe orde. De Russen (Lissitzky, Tatlin, Rodchenko) geven hun kunst een plaats in het utilitaire idioom van het post-revolutionaire Rusland. Met de Duitsers aan het BAUHAUS (Gropius, Feininger, Moholy-Nagy, Kandinsky en Klee) zal het onderscheid tussen de utilitaire kunst en de schone kunst verdwijnen. Het Bauhaus richt zich op praktische en realistische doelen. Nog in Duitsland zal de Nieuwe Zakelijkheid een overdreven realisme aan de dag leggen om de sociale uitdagingen en de ellende na de Oorlog te inventariseren.

Het surrealisme te Parijs richt zich steeds meer op de kennis van het individu en niet zozeer op de maatschappij. Teleurgesteld in het, door de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog al te optimistisch gebleken, rationalisme en geïnspireerd door de ideeën van Sigmund Freud, stellen surrealisten de door vrije associaties gekenmerkte bewustzijnstoestand van de droom centraal. Dit zal uitmonden in het zogenaamde abstracte surrealisme (Miró).


INHOUD


nu online: 1
vandaag: 8
deze week: 8
totaal: 12359